E-mail de vertaler

Klik hier voor meer details

 Hoofdstuk I Rechtse 'anti-partij-pet' wordt mij opgezet

 

Mijn voorouders vestigden zich in het afgelegen bergachtig gebied van Noordwest-Yunnan. Ik ben weliswaar Chinees maar ik wil er n woord aan toevoegen: ik ben een Bai-Chinees. Ik behoor niet tot de grote meerderheid van Han-Chinezen in centraal China maar tot de nationaal erkende minderheid van de Bai-Chinezen. Thuis spreken we Bai, niet het officiële Chinees of Mandarijn. In het verleden heeft men altijd op ons neergekeken. Wij werden als onwetend en achterlijk beschouwd, vooral omdat onze contacten beperkt waren door de taal. Het is nooit makkelijk geweest te concurreren met de Han-Chinezen.

Begin 1956 gebeurde iets ongewoons. Onder de directe supervisie van de in Beijing gevestigde Academie voor Sociale Wetenschappen, werd een speciale studie-eenheid opgericht in Kunming: Het Instituut voor Onderzoek van de Sociale Geschiedenis van de Nationale Minderheden. Het grootste deel van het personeel kwam uit Beijing. Onmiddellijk werd ik als eerste aangeworven om te helpen bij hun onderzoek en studie. Ik spreek namelijk niet alleen Bai en vloeiend Mandarijn, maar ik had ook Engels gestudeerd aan de universiteit. Soms moest ik voor het onderzoek Engels materiaal vertalen in het Chinees, soms moest ik experts begeleiden op studiebezoek in een ver berggebied. Bij die gelegenheden trad ik op als vertaler want mensen uit Beijing verstaan de taal niet verstaan die door de plaatselijke dorpsmensen gesproken wordt.

Ik was blij met deze verandering in mijn leven. Ik had tot dan toe immers gewerkt in een overheidsdienst in een kantoorgebouw waar een achturendag meer leek op een 64-urendag. Zodra ik naar mijn vertaalwerk was overgeplaatst, slonk mijn werkdag tot acht minuutjes. Ik kon opnieuw mijn Engelse boeken van onder het stof en uit de doos halen. Ik maakte plannen, ik kon 'mijn' Engels opnieuw gebruiken.

Maar plotseling, in de zomer van 1957, raasde de grote politieke beweging, bekend als De Strijd tegen Rechts, over ons land. Aanvankelijk riepen de mensen leuzen zoals 'Wij leven in het tijdperk van Mao Zedong. Iedereen is vrij zijn of haar gedachten uit te drukken.' Het populairste gezegde was 'Laat honderd bloemen bloeien en honderd theorieën met elkaar strijden.' Voorzitter Mao voerde dat beleid om kunsten en wetenschappen tot bloei te brengen in een socialistische cultuur. Verscheidene maanden lang hielden we vergadering na vergadering. Er werden verslagen gemaakt en documenten gekozen om over te discussiëren.

In de herfst van 1957 kwam de tweede fase. Ze heette 'Een lijn trekken tussen de zoet geurende bloemen en het giftig onkruid.' We vernamen dat 'iedereen vrijuit de giftige planten moest tonen om ons Nieuw China te beschermen en om ervoor te zorgen dat de kleur ervan niet zou veranderen'. 'Voorzitter Mao zegt dat 90% van de bevolking trouw aan het socialisme is en dat slechts 5% doet alsof ze het volk dienen maar valse dienaars zijn. Als jullie die 5% niet kunnen vinden, dan zijn jullie blind.' Vlak daarna ontbrandde de strijd. Om het vooropgestelde aantal van 5% te bereiken, begon iedereen nauwkeurig alles opnieuw te onderzoeken en te analyseren wat mensen vroeger gezegd hadden

In onze afdeling ontdekte men drie verraders : men had ze ontmaskerd als 'giftige planten'. Een was een eenenvijftigjarige geleerde, die uit Amerika was teruggekeerd, de tweede was Gao, een open en sociale medestudent van mij aan de universiteit. De derde giftige plant was ik zelf.

In het begin werden die zogenaamde aanklachtvergaderingen gehouden in een vrij vriendelijke sfeer. In sommige organisaties kwam er zelfs een hapje op tafel. De activisten uitten hun kritiek met vriendelijke stem 'Eet iets zachts'. Ze boden je een kopje water of een sigaret aan. Dat heette 'aanklagen met aangename wind en lichte regen'. Maar de beweging ging dieper en dan heette het 'stormachtig aanklagen'. Ze schreeuwden tegen je, wezen op je voorhoofd of trokken aan je haar. Ze werden soms zo woedend dat ze met hun vuisten op tafels en stoelen sloegen. Ze stampten op de vloer alsof het een vijand was. Ze sloegen je en gaven je tot besluit een 'ritje per helikopter': ze bonden je handen op de rug en hingen je ergens aan op.  Alle aanklachtvergaderingen eindigden op dezelfde manier met een waarschuwing: "Laten we hier voor vanavond mee stoppen. Maar elke dag hebben we een morgen. Trek je nooit terug eer je een definitieve overwinning hebt behaald."

Het was zeer gemakkelijk om me aan te klagen. Mijn familie was immers vroeger al geklasseerd als 'grondbezitter'. Hoewel ik de zware industrie van de Sovjetunie bewonderde, had ik ook een keer gezegd dat hun lichte industrie achter liep ten opzichte van die van Engeland en Amerika. Ik had het volgende gezegd: "Wanneer je een boekhandel binnenloopt en je koopt een nummer van een Sovjet-tijdschrift, dan geeft het een verschrikkelijke geur af. Vind je ook zo'n geur bij Britse of Amerikaanse publicaties? Britse en Amerikaanse draagbare typemachines zijn licht en mooi. Die van Sovjet-makelij zijn lelijk en zwaar." Men herinnerde zich dat maar al te goed: 'Je bent iemand die de Sovjet Unie haat en van onze vijand Amerika houdt!' Ik had ook ooit het volgende commentaar gegeven: als je in China vandaag het begin kent van een boek, een tijdschrift, een film of een radioprogramma, dan weet je onmiddellijk hoe het afloopt.' Ze zeiden me dus: "Je haat onze Nieuwe Maatschappij, onze Partij. Jij bent zonder meer de rechtse die wij allen zoeken!" Als ik mij onbewust even versprak, sprongen ze er onmiddellijk op om het verkeerd te interpreteren en mij aan te klagen.

Overdag werden wij alle drie met rust gelaten maar alle drie moesten we  eigen 'materiaal' produceren d.w.z. een geschreven verslag maken waarin we onze gedachten naar buiten brachten en overtuigende antwoorden dienden te geven op honderden 'wat'- en 'waaromvragen'.

Op een dag, nadat we net begonnen waren aan de tweede en kwalijke fase, kreeg ik een brief van Wu Qiyan, een vroegere vriendin. Ik kon mijn ogen nauwelijks geloven want mijn vrienden en medestudenten meden mij als 'giftige plant'. Vroeger had ik wel naar Qiyan geschreven, in Noordoost China. Ik had haar verteld over mijn nieuwe baan. Net voor de anti-rechtse beweging begon, hoorde ik dat ze terug was in Kunming als lerares Russisch aan een middelbare school. (2) Even overwoog ik om haar op te zoeken maar bij nader inzien gaf ik dat idee op. In haar brief nodigde ze mij bij haar uit en ik liep zo snel als mijn twee benen het toelieten. Toen het schoolgebouw echter in zicht kwam, stopte ik en riep uit, 'Neen,'t is te laat, ik ben te besmeurd. De hemel zal me straffen als ik de school binnenga en die lerares Russisch vergiftig.'

Ik liep weer naar huis. Ik bonkte met mijn voorhoofd tegen mijn bureautafel, hief de handen boven mijn hoofd, wierp mezelf op bed en snikte smartelijk.

Hoorde ik een klopje op de deur? Ik droogde mijn ogen en spitste de oren. Een tweede en derde duidelijke klop. Ik dacht dat mijn collega's me opnieuw kwamen komen halen voor alweer een aanklachtenvergadering. Daarom antwoordde ik: "Ik ben hier, ik heb geen vleugels, ik kan niet naar Taiwan vliegen.' Het geklop hield niet op. Ik liep op mijn tippen naar de deur, gluurde vanachter het gordijn en zag Qiyan. Ze opende de deur, deed een paar passen naar voren en keek rond, alsof we verstoppertje speelden.

'Shuyi! (3) Herinner jij je mij nog?' Mij strak in de ogen kijkend, kwam ze nader. Ik kon mijn tranen niet bedwingen. Haar stem bracht zo veel vervlogen herinneringen terug.

Ondanks alles kwam Qiyan me op eigen initiatief bezoeken. Dat was lief n moedig van haar! Ik moet haar iets aanbieden, dacht ik, een kop thee. Ik nam mijn thermosfles maar er zat geen druppel water meer in. Vroeger bracht men mij geregeld warm water. Maar sinds ik een 'slecht element' was, hadden ze deze service gestopt. Ik liep naar buiten om water te halen bij mijn buren. Ze waren binnen aan het praten maar ze luisterden niet naar mijn geklop. Zowat twintig minuten later slaagde ik erin een thermosfles warm water op de kop te tikken. Ik had ze moeten kopen in een theewinkeltje.

Op mijn terugtocht werd ik aangeklampt door vier kinderen bij de ingang van ons gebouw. En zei: 'Goede middag, meneer Oude Rechtse!' De tweede vroeg: " Breng je giftig water naar je vriendin?' De grootste van de vier kwam op me af als een hoge ambtenaar en vroeg: "Aan welke kant van de weg loop je nu?'

'Ik begrijp je niet,' antwoordde ik, 'De weg is openbaar domein. Die is niet van jouw familie.'

'Neen, man, wij zijn allemaal eigenaars van de weg. Jij bent een ouwe rechtse. Dus moet jij aan de rechtse kant van de weg lopen!' Met een duw dwong hij me rechts van de weg te stappen.

De kinderen bleven me volgen. Ik kon ze niet tegenhouden. Ik wou alleen een kopje water aan een vriendin op bezoek aanbieden. Ik kreeg hoofdpijn. Ik vond mijn deur gesloten. Er was niemand in de kamer. Gelukkig stond het raam open en kon ik erdoor klimmen. Op dat ogenblik liet ik de thermosfles vallen. Glas en warm water spatten op de vloer.

Qiyan was nergens te bespeuren. Toch zag mijn kamer er op een bepaalde manier anders uit. Er lag geen stof meer op mijn bureautafel. Mijn boeken stonden in de goede volgorde. Een vaas strobloemen was verdwenen. Op mijn bed lag een blauw notitieboekje. Toen ik het opensloeg, vond ik een fotootje van mijzelf op de eerste pagina geplakt. Ik was speciaal getroffen door een verwelkte roos eronder. Qiyan en ik hadden ooit twee rozen geplukt van dezelfde rozenstruik dichtbij de tempel. We bewaarden er elk n. Ik had de mijne in mijn dikste Engels-Chinees woordenboek verborgen. Juist op het moment dat ik mijn woordenboek opensloeg, kwam Qiyan terug. Ze zette een emmer koud water neer en nam de veegborstel.

'Er heeft iemand een thermosfles gebroken.'

'Mijn fout. Ik verknal alles als ik gehaast ben. Ik kan je zelfs geen kopje water aanbieden!'

'Dat maakt niets uit. Ik ken je huidige omstandigheden.'

'Qiyan, je begrijpt het niet - ik ben een vijand van het volk geworden. Ik ben nu een giftig onkruid. Zelfs kinderen van amper drie jaar trachten mij te wieden.'

'Ik begrijp je maar al te goed, Shuyi! Voor mij maakt het geen verschil uit. Hetzelfde gebeurt bij ons op school!'

Ik hoorde stemmen buiten en keek door het raam. Een groepje kinderen van collega's keek me aan. En van hen wuifde. Ze scandeerden een nieuw soort kinderrijmpje. Het klonk een beetje zoals een vers dat ik in een boekje met Engelse kinderrijmpjes gelezen had:

 

 

En, twee drie vier vijf zes zeven

Wij vingen een oude rechtse, nog in leven

Acht negen tien

Wij hebben hem in vrouwelijk gezelschap gezien

 

 

En, twee drie vier vijf zes zeven acht negen

Deze slang mag geen schub bewegen

acht negen tien,

beweeg, slang, en je bent gezien.

 

 

Qiyan sloot het raam en vroeg 'Moet je toestemming vragen om naar buiten te gaan?'

'Neen. De grote leiders hebben nog geen definitieve beslissing genomen. Ik wacht op dit moment op mijn straf maar ik kan nog altijd gaan en staan waar ik wil.'

'Ik denk dat die kleine boze geesten je last zullen bezorgen. Zullen we een wandelingetje maken?'

'Ben je niet bang dat later iemand zal zeggen 'jij speelt met een wolf, met een slang...'

'Het kan mij niet schelen!'

'Je bent net zoals je vader. Eens word je nog een beroemde vrouwelijke prof.'

'Je vergist je als je denkt dat mijn vader als professor hoog in aanzien staat. Zoals de aarde draait, zo draait nu alles. Een tijd geleden noemde men hem inderdaad een belangrijke professor aan een 'grote school' (5). Maar op een dag raasde een storm door de hoogste regionen. Ook hij kreeg een rechtse pet opgezet - ze zeggen dat hij een geweldig monster en een demoon is.(6) In ons huidig China, van noord naar zuid, van oost naar west, noemen ze elk kruid giftig dat ongewoon of speciaal is. Ze trekken alle onkruid uit. Ze vernielen alles. Het heeft geen belang of het giftig is, of er eventueel een mooie plant uit kan groeien. Een vader kan nu niets meer doen voor zijn kinderen en soms moeten de kinderen hun ouders vervloeken. Hoe dan ook, jij en mijn vader zitten in hetzelfde schuitje.'

'Dus volgens jouw theorie, ben ik ok?'

'Natuurlijk! Anders zou ik je niet komen opzoeken. Ik heb een kleine attentie voor je meegebracht. Toen ik je boekenplank afstofte, vond ik dat bekende woordenboek. Dat bewees dat je me niet vergeten bent. Mis je niets?' Ze plaatste de twee rozen samen.

'Neen, verscheidene seizoenen zijn gekomen en gegaan maar ik zou niet weten wat ik hier nu mis. Alleen de kleur van de rozen is wat verbleekt. Maar ik? Mijn kleur is veranderd. Maar jij, Qiyan, jij bent niet veranderd. Jij hebt een mooie betrekking. Jij staat buiten de huidige storm. Koester en bescherm je integriteit, verdedig je. Ik ben bang dat ik je toekomst bederf.'

'Deze beweging is inderdaad een zware storm. Het is niet gemakkelijk een veilige schuilplaats te vinden. Duizenden, miljoenen kunnen zich niet verdedigen tegen deze storm. In het verleden lette je weinig op de weerberichten, er waren bovendien gaten in je schoenen. Je kon geen paar rubberen laarzen bemachtigen zoals belangrijke mensen met goede relaties dat kunnen. Neen, je stapte nog onbezorgd in de regen. Natuurlijk stond al snel de modder in je schoenen. Toen kwam de tijd dat ze ieders voeten inspecteerden 'Kijk naar zijn voeten, ze stinken!'

'Maar het weer is veranderlijk. En modder wast makkelijk af. Een dezer dagen komt een nieuwe stormregen en die spoelt de modder weg. Zoals vele anderen, geloof ik dat jij en mijn vader uiteindelijk die dag zullen beleven. Je mag dus de moed niet opgeven. Hoezeer zou ik je bij mijn vader willen brengen, maar helaas, het regent te zwaar momenteel. Het is beter geen giftige plant mee te nemen om een monster van een vader te bezoeken!'

Ik opende de deur en keek of er geen kinderen te zien waren. Qiyan ging voorop, ik volgde. Zodra we in de hoofdstraat kwamen, konden we normaal wandelen, schouder aan schouder. We dronken en aten een kleinigheid en gingen uiteindelijk naast een meer zitten. Het was zeer laat toen we aan haar schoolpoort kwamen. Qiyan nam een blozende appel en zei :"Ik heb deze appel voor jou gespaard. Hij komt uit de provincie. Deze appels zijn bestemd voor de uitvoer.'

'Eet hem liever zelf of geef hem aan je vader."

'Neen, hij is voor jou. Mijn vader heeft er al. Helemaal van Harbin naar Beijing en dan naar Yunnan, heb ik hem speciaal voor jou bewaard.'

De appel ging ettelijke keren over en weer. En van ons miste hem en de mooie appel rolde en rolde en stopte vlak voor de voeten van de conciërge aan de poort. Ze slaakte een opgewonden gilletje :'O, wat een grote appel! Het is de mooiste en grootste appel die ik ooit in mijn leven zag! Wat leuk...' Ze raapte hem op, rook eraan en sperde haar mond wijd open. Qiyan en ik keken elkaar aan. De oude vrouw glimlachte en zei :'Mevrouw Wu, ik heb vanaf het begin uw pingpongspel gadegeslagen. Zeer interessant. En jij bent zeker de meneer X van onze lerares hier. Hartelijk welkom. Zeg eens, hoe noemen jullie deze vrucht?'

'Iedereen weet dat we die ping guo noemen', antwoordde Qiyan.

'Maar wat betekent 'ping'?

' 'Ping' betekent 'gelijk',' zei ik.

De oude vrouw brak de appel in tweeën. Ze gaf de ene helft aan Qiyan en de andere helft aan mij. 'Jullie vormen een mooi stel,' zei ze.

Iedereen lachte en we aten de appel op. We spraken geen woord maar we begrepen elkanders hart. Wij hoopten later vreugde en verdriet te delen zoals we de appel gedeeld hadden.

Tijdens de periode van die gewelddadige politieke aanklachtbeweging, was Qiyans bezoek een sterke steun voor mij. Wanneer ik op kantoor gedwongen werd te antwoorden op kritiek, dacht ik soms dat sterven de enige uitweg voor mij was. Wanneer ik dacht aan Qiyan en haar liefdevolle steun, voelde ik dat het leven nog niet voorbij was. Ze had me voldoende kracht gegeven om te overleven.

Ze kwam minstens n keer per week langs. Om moeilijkheden te vermijden, ging ik haar nooit in haar school opzoeken. Elke keer dat ze kwam, bracht ze iets speciaals mee om te eten of ze ruimde mijn kamer op. In de weekends gingen we naar de bioscoop of wandelden we in het park. Op een middag in de lentevakantie nam ze me mee naar haar vader. Ik was ontroerd om hem te zien maar we konden weinig zeggen omdat er nog tal van andere gasten waren.

Zoetjesaan vonden mijn collega's onze verhouding verdacht. Als we voor elkaar op de slaapzaal zorgden, glimlachten sommigen, maar achter hun glimlach stak dikwijls een scherp mes. Ik was eigenlijk alleen. De kantoordirecteur liet me naar mijn kantoor gaan zoals gewoonlijk, want er was nog geen definitieve beslissing genomen of rechtsen hun normale werk van vroeger weer konden opnemen. Hij zei: 'Je zit erbij en leest de kranten, ook die van de andere provincies. De enige reden waarom je hier kritiek van al je collega's moet verduren, is dat je in het verleden geen aandacht schonk aan politiek. Je moet deze tekortkoming goedmaken. Hoe harder je politiek studeert, hoe hoger je politieke niveau zal zijn.'

In het begin van deze aanklachtenbeweging, toen het stormde en stortregende, dacht ik te verzuipen. Als ik dag na dag de opiniestukken van de partij in de krant las, werd ik ervan overtuigd dat ze weliswaar geen veiligheidsagent zouden inhuren om me te executeren maar welke straf ik zou krijgen wist ik niet.

Intussen zei Qiyan nooit 'Ik hou van je' en ik vroeg ook nooit 'Hou je echt van me?'. Toch begrepen we elkaar goed. Kort na het lentefeest van 1958, keurde haar vader onze trouwplannen goed. Eerst besloten we te trouwen zodra ik de toestemming kreeg terug te keren naar mijn werk. Wanneer dat zou zijn was een geheim dat alleen onze overheid kende. We besloten alles zo vlug mogelijk in gereedheid brengen. Qiyan moest op drie niveaus diverse formulieren invullen: n voor de Communistische Jeugdbeweging, n voor de schooldirectie en n voor de plaatselijke overheid. Het nam veel tijd in beslag om overal goedkeuring te krijgen.

Op een avond werd ik overvallen door angst en een diep verlangen tegelijk. Hoe kon ik mijn leven een beetje plannen in deze onzekere toestand. Ik vatte alle moed samen en stapte naar mijn kantoordirecteur, bij hem thuis. Ik vertelde hem alles over mijn verleden en ook over de situatie tussen Qiyan en mij. Op het einde van het gesprek stelde hij me gerust: 'Maakt u zich niet al te veel zorgen. Uw probleem heeft niets te maken met de wet. De partij zal niet alle rechtsen een proces aandoen en ze in de gevangenis gooien. Zoals het er nu uitziet hebben we grote rechtsen, centrum-rechtsen, kleine rechtsen en gewone rechtsen. U hebt geen geheime organisatie van contrarevolutionairen gesteund om onze maatschappij te vernietigen. U bent wellicht maar een kleine rechtse. Dus zal uw straf lichter zijn, denk ik. U zult beschouwd worden als een gewone burger. U zult een normale wedde van de staat krijgen. Ik verzeker U dat U geen fysiek geweld zal worden aangedaan.'

De volgende ochtend belde ik Qiyan en spoorde haar aan de huwelijksaanvraagformulieren zo spoedig mogelijk in te vullen. Drie dagen later lagen al mijn plannen en dromen aan scherven. Het gebeurde plots en snel. Om klokslag acht riep men ons samen voor een korte vergadering op kantoor. Onze directeur opende de vergadering met volgende woorden: "Kameraden, luister aandachtig naar mijn woorden. Onze plannen worden steeds ingehaald door de snelheid waarmee onze maatschappij zich ontwikkelt. Ik dacht dat we nog een langere tijd zouden moeten wachten op het resultaat van onze grote strijd tegen de rechtsen. Maar neen. Er is een formeel bericht van hogerhand gekomen. Men heeft mij gevraagd om het vandaag voor iedereen toe te lichten.

'Binnen deze muren zijn wij een grote revolutionaire familie. Door ons de geest eigen te maken van onze grote leider Voorzitter Mao Zedong en die geest als spiegel te gebruiken, kunnen we nu zien welke kameraad trouw is aan de partij, en welke andere ons grote doel, de heerschappij van het proletariaat, ten gronde wil richten. In dit gebouw zien we drie vijanden in de spiegel. In het verleden werden we allen om de tuin geleid door hun mooie woorden omdat we te weinig aandacht voor de politiek hadden. Vandaag, onder de juiste leiding van de partij en in de geest van constante vervolging van de vijand, zijn we erin geslaagd hun lelijke gezichten te ontmaskeren als die van monsters, slangen en boze geesten. We weten allemaal waar ze geboren zijn, kennen hun familiegeschiedenis, weten wat ze deden en zeiden om ons socialisme schade te berokkenen. Het staat er allemaal zwart op wit. Ze kunnen het nooit ontkennen. Al hun materiaal zullen we in een grote papieren zak steken en het zal hen overal volgen.

'De volgende drie zijn voor niets goed. De Partij heeft destijds een grote som geld uitgegeven voor hun opleiding. Ze zijn waardevol staatseigendom. Later dachten ze dat ze slimmer waren dan de anderen. Zo begonnen ze kritiek te leveren op onze Partij. Ze wisten niet dat echte wijsheid bij het volk te vinden is. Maar toen de tijd eraan kwam dat onze Partij hun dossier doornam, was ze mild en vergevend. Hoewel ze slecht zijn, willen we ze niet doodschieten of doodslaan. We geven ze de gelegenheid hun gebreken te verbeteren en een zelfhervormingsplan uit te werken in de komende jaren. Zodra ze beseffen dat ze ondankbaar waren tegenover de Partij en het volk, zal het volk ze opnieuw welkom heten om hun bijdrage te leveren aan het moderniseringsplan van onze natie. Ik hoop dat jullie drie deze laatste kans met beide handen zullen aangrijpen en zullen koesteren.

Ten slotte wil ik dat jullie drie het volgende goed begrijpen: als jullie die misdaden hadden begaan in de tijd van de Kuomintang, dan zouden jullie koppen gerold zijn. Nu moet je opgewekt en dankbaar zijn tegenover de Chinese Communistische Partij. Natuurlijk weten we dat jullie niemand hebben vermoord of brand gesticht, maar jullie 'anti-partij-gedachten' en jullie aanvallen op de Partij waren veel erger dan degenen die een geweer of een lading TNT gebruiken om vernieling te zaaien. Jullie misdaden waren geen kleinigheden. Als we ze op een lessenaar van principes zouden uitleggen, dan zouden we kunnen spreken van hoogverraad. En jullie weten welke straf daarop staat: de doodstraf. Gaan wij jullie de doodstraf geven? Neen! Je zult leven en er is nog hoop dat jullie ooit de grote revolutionaire familie rijker zullen maken. Prent dit goed in jullie hoofd: steunend op de theorieën van Marx, Lenin en Mao, komen al jullie problemen neer op een 'tegenspraak tussen het volk en de vijand'. Maar onze Partij heeft jullie niet gestraft volgens dit principe. Om jullie een kans te geven jullie misstappen recht te zetten, heeft onze Partij de tegenspraak 'volk-vijand' omgezet in een tegenspraak 'volk-volk'. Jullie probleem is een probleem onder de mensen, onder het volk en niet tussen het volk en de vijand. Jullie hebben veel geluk. Als onze Partij het eerste principe gehuldigd had, dan zouden jullie het met de dood bekocht hebben. Waardeer alstublieft deze milde koers van de Partij.

'De instructie die we van hogerhand kregen verduidelijkt dat er een onderscheid is tussen jullie. En van jullie zal naar een afgelegen district in Zuid-Yunnan gezonden worden. De andere twee gaan naar een klein district niet ver van Kunming. Het zijn allemaal staatslandbouwbedrijven, geen concentratiekampen, evenmin werkhervormingskampen van de Veiligheidsdienst en ze staan ook niet onder de controle van de politie. Het zijn nieuwe bedrijven die slechts een paar maanden geleden werden opgericht. Jullie worden heropgevoed door handenarbeid. Een datum waarop jullie daar ontslagen zullen worden staat niet vast. Twee weken, twee jaar, of tien jaar - niemand weet hoe lang jullie er moeten blijven. Jullie hebben het recht te stemmen. Jullie zullen een klein loon krijgen om zeep, sigaretten en postzegels te kopen. Het land zorgt voor al de rest. Begin maar te pakken onmiddellijk na deze vergadering en spring in de wachtende jeep.'

Toen ik uit het kantoorgebouw kwam, dacht ik aan wat de conciërge van Qiyans school had gezegd toen we die appel opaten. Zou Qiyan haar toekomst willen delen met een man die heropgevoed moest worden op een landbouwbedrijf? Ik moest het haar vertellen. Het eerste wat ik dus deed was een fiets lenen op het werk.

'Waartoe?' vroeg de man aan de poort.

'Zeer belangrijk. Ik ben zo terug.'

'Neen, ik kreeg juist instructies dat ik je niets meer mocht lenen en je scherp in het oog moest houden.'

Onder het pakken van mijn spullen werd ik aan de telefoon geroepen. Ik stormde naar boven. Een hand stopte mij toen ik de hoorn opnam.

'Niet voor jou. De telefoon hoort toe aan het volk,' zei de man.

'Ben ik dan een beest?'

'Hoe durf je dit zeggen? Acht uur geleden kon je deze telefoon nog gebruiken, maar na de vergadering...'

'Asjeblieft, ik wil hem alleen nu, alleen deze keer, de laatste keer aannemen. Ik maak het kort.'

'Ik moet het eerst aan de directeur vragen. Niet opnemen terwijl ik weg ben!'

Ik moest huilen. De man kwam terug en snauwde: 'Waarom huil je? Je bent niet alleen een rechtse maar ook vol bourgeois-gedachten! Van de directeur mag het, maar zeg me wat je wil zeggen.'

'Vertel de persoon die belt dat ik voor de middag vertrek. Zeg haar dat ik naar een landbouwbedrijf moet en vraag haar mij op te zoeken zodra de school gedaan is.'

Uit angst dat ze me niet persoonlijk met Qiyan zouden laten spreken, schreef ik snel de volgende brief:

 

 

Liefste Qiyan,

 

 

Op dit moment ben ik gedwongen om in zeven haasten te pakken. Tegelijk komen zo veel gedachten in mij op, ik wil je honderd dingen vertellen en weet niet waar te beginnen. Er gebeuren belachelijke zaken. Hier zeggen ze dat ik een 'burger' ben en wat verderop mag ik de telefoon niet gebruiken. Zo'n beleid begrijp ik niet en zal ik nooit verstaan. Waren we niet vol hoop over onze toekomst? Je vader zei dat we het goed konden hebben. Ze hadden toen het doek nog niet laten vallen, en dus dachten we dat vele zaken binnen onze mogelijkheden lagen. Als ik vandaag op ons gedrag terugkijk, moet ik zeggen dat wij naïef en kinderachtig waren. Nu over onze toekomst. Van nu af moeten we vooral pragmatisch zijn. Kunnen wij trouwen? Kan een lerares met een misdadiger, tewerkgesteld op een boerderij, trouwen? Misschien zal je zeggen 'het maakt mij niets uit'. Gevaarlijk! Weet jij wat sociale druk betekent? Omdat de situatie zo veranderd is, heb ik niet de moed te denken aan  wat buiten ons bereik ligt. Alleen al als je de duur bekijkt - ze konden me immers niet vertellen hoe lang ze mij willen vasthouden - zul je mijn standpunt begrijpen. Mijn hart doet pijn als ik aan onze tijd samen denk, waar we over praatten naast het meer. Herinner jij je? Ik zei dat ik je zou bijstaan in elke storm.. Het spijt me verschrikkelijk. Maar dat is nu verleden tijd. Ik hoop dat je me vergeeft en me aanvaardt als een goede vriend. Draag zorg voor je zelf en schrijf als je vindt dat we goede vrienden moeten blijven. Ik hoop dat ik van je hoor.

O ja, ik laat drie dozen met allerlei spullen achter voor jou, bij de conciërge. De schrijfmachine en enkele boeken neem ik mee. Wil je de rest bewaren voor mij?

 

 

Shuyi.

 

 

Ze stonden me al op te jutten nog voor ik mijn brief had beëindigd. Mijn kamer lag er in wanorde bij maar ik kreeg nauwelijks de tijd om enkele persoonlijke bezittingen in kartonnen dozen te stoppen. Rond half tien werden Lao Li (de uit Amerika teruggekeerde student) en ik met ruw geweld in een jeep geduwd. Een menigte belangstellenden stond om de jeep. En van de toekijkende kinderen kraaide: 'Kijk, mevrouw Lao You komt meneer Lao You uitwuiven.' Ik dacht dat hij om mij lachte maar toen ik uit het raam van de jeep keek, zag ik Qiyan komen aanfietsen. De motor startte. Ik vroeg de chauffeur even te wachten maar zijn collega, die verantwoordelijk was om ons naar het landbouwbedrijf te brengen zei :'Je hoeft niet te wachten. Onze politieke taak staat boven alles. Wij willen geen liefdesafscheid voor een 'anti-Partij-element' dat naar een hervormingskamp moet.'

Onze jeep zette zich in beweging. Qiyan trapte hard door en was bijna bij ons. We zwaaiden en riepen naar elkaar maar konden elkaar niet horen. Haar fiets reed in de wolk van stof die opstoof achter de jeep. Ik liet de brief uit het raam vallen maar kon niet vertellen of zij hem had opgemerkt of niet. De jeep trok op en schoof van haar weg. Ze verdween uit het zicht.

We hobbelden verder. De collega die ons escorteerde rookte en zweeg. De chauffeur van middelbare leeftijd gaf ons elke keer weer een sigaret en stelde Lao Li en mij vele vragen. Toen hij vroeg hoe lang we zouden moeten blijven antwoordde ik :'Ik leef in een trommel. Dat is top secret.' Lao Li voegde eraan toe:'Alleen de hemel weet hoe lang wij weg zijn.' De chauffeur lachte: 'Geen tijd betekent dat ze veel tijd hebben om te doen wat ze willen. Wat een prachtige flexibele beleidslijn! Voor jullie betekent geen tijd geen hoop. Je zult lange zeer lang moeten wachten voordat die 'geen tijd' komt.

 

 

Opmerkingen

 

 

1. Aanklachtenvergadering. Hier is 'aanklachten' de vertaling van 'struggle', en dat van het Chinese douzheng, wat betekent 'aanklagen' en 'blootstellen aan kritiek'. 'Douzheng' vind je ook in de uitdrukking 'klassenstrijd'. Omdat alle dergelijke politieke bewegingen op n of andere manier uitingen waren van de klassentegenstellingen uit het marxisme-leninisme, gebruikt He dikwijls termen zoals 'struggle me' of 'struggling them' om het proces van dat aanklagen en bekritiseren te beschrijven. Deze aanklachten en kritiek varieerden van milde verbale kritiek tot directe marteling.

2. De Chinese 'middle school' of middelbare school combineert zoals in Nederland en België de junior high en high school. De junior grades heten chuzong en de senior grades zijn de gaozhong. De leerlingen moeten slagen voor een examen om in de seniorjaren te komen. In landelijke gebieden biedt men vaak slechts de eerste drie jaar of de chuzong aan. Alleen grotere en betere scholen in de districtshoofdstad of in grotere steden bieden ook de drie senior- of hoogste jaren.

3. De heer He werd geboren met de naam Zhang Shuyi. Toen hij huwde met zijn tweede vrouw, moest hij zijn naam veranderen in He Liyi.

4. In de Chinese steden verschaffen de meeste werkinstellingen (werkeenheden of danwei genoemd) kost (in kantine) en inwoning op het bedrijfsterrein. Soms zijn er zelfs winkels en ontspanningsgelegenheden. Een gedeelte van het personeel, voornamelijk de ongehuwden, slaapt op kamers. Zij delen met anderen de kamer. Omdat daar geen keukens zijn, kookt de schoonmaakploeg water in een boiler die verwarmd wordt door kolen. Dat warm water gieten ze in thermosflessen en zo plaatsen ze er n of twee in elke kamer dagelijks. In bepaalde kamers warmt het personeel zelf het water.

5. Grote school (Big school ) betekent universiteit (college)

6. Pet (van 'cap'): komt van de uitdrukking dai maozi, letterlijk een hoed dragen, in de betekenis een etiket op iemand kleven. De uitdrukking zelf komt voort uit het gebruik om een lange, witte, papieren hoed te plaatsen op de hoofden van de slachtoffers van de moderne politieke bewegingen.

7. Grotere werkeenheden hebben allemaal een muur om de plaats (d.i. fabriek, kantine, slaapkamers enz.) heen. Bij elke poort is er een poorthuis of conciërgehuis gebouwd. De poortwachter of conciërge, meestal een oudere man of vrouw, moet de wacht houden aan de poort.

Back to Homepage